Meer wetenschap? Ja, graag! Maar er is een verschil tussen evidence-based en evidence-informed
Je kunt bijna geen LinkedIn-post meer openen of er staat evidence based boven. De training is evidence based. Leiderschap is evidence based. Storytelling, feedback, allemaal evidence based. In deze aflevering van No More Boring Learning leggen Jeanne en JP uit waarom dat niet kan, en waarom het eerlijkere alternatief net zo ambitieus is.
De opwarmer: 55/38/7
Albert Mehrabian deed eind jaren zestig twee kleine studies. Wat er echt gebeurde: 62 vrouwelijke proefpersonen lazen negen losse woorden voor. Drie positieve, drie neutrale, drie negatieve. Die woorden spraken ze uit in verschillende tonen, dus je kon "brute" positief, neutraal of negatief laten klinken. Dat combineerde hij met een tweede studie over gezichtsuitdrukking.
Zijn conclusie ging over een heel specifieke situatie: als je probeert in te schatten wat iemand voelt, en de woorden spreken de toon en het gezicht tegen, dan weegt de luisteraar het gezicht voor 55 procent, de toon voor 38 en de woorden voor maar 7. Geen toespraak. Geen vergadering. Losse woorden.
Mehrabian heeft het zelf rechtgezet: de verhouding geldt alleen als iemand over gevoelens of houdingen praat en is verder niet van toepassing. En toch blijft de regel rondgaan. Het klinkt zo goed. En het is nou eens niet zeventig, twintig, tien.
Wat evidence based eigenlijk betekent
De term komt uit de geneeskunde. Je neemt een beslissing op basis van het best beschikbare wetenschappelijke bewijs. Duizend patiënten, een placebogroep, een echt medicijn, en dan kijken hoeveel procent kans op genezing er ontstaat. Placebo moet erbij, want het placebo-effect is echt.
En dan komt de rest. Ze zeggen niet alleen: ik heb het best beschikbare onderzoek. Ze zeggen ook: ik heb de expertise van de professional en ik ken de context van de patiënt. Iemand van 83 die op haar racefiets komt voor een heupoperatie is iets anders dan iemand van 83 die al jaren met een rollator loopt. Dat weeg je mee. Dán durf je evidence based te zeggen.
Waarom leren dat nooit kan zijn
Stel, onderzoek laat zien dat retrieval practice beter werkt dan herlezen. Prima. Maar nu train je veertien monteurs in een fabriek, met weinig tijd, slechte wifi, een niet betrokken manager, en een groep die elkaar al twintig jaar kent en eens per jaar op training moet. Je stopt retrieval practice in je ontwerp. Die training kan nooit evidence based zijn, want de lerende is altijd anders.
Wetenschappelijk onderzoek beschrijft gemiddelden, geen individuele situaties. Onderzoek zegt nooit: dit werkt altijd. Het zegt: gemiddeld zagen wij onder deze omstandigheden met dit soort deelnemers dit effect. Je zou dertien identieke tweelingen moeten vinden die precies hetzelfde hebben meegemaakt en dezelfde baan doen. En dan heb je nog een populatie van niks.
Neem feedback. Er is enorm veel onderzoek naar gedaan, en de conclusie is helemaal niet: geef zoveel mogelijk feedback. Kluger en DeNisi bundelden in 1996 ruim 600 effectgroottes uit zo'n 23.000 observaties, tot op de dag van vandaag de bekendste analyse over feedback. Gemiddeld hielp feedback. Maar in meer dan een derde van de gevallen maakte feedback de prestatie juist slechter. Dan kun je dus niet zeggen dat je feedbacktraining evidence based is.
Evidence informed: eerlijker en net zo scherp
Evidence informed betekent: er is bewijs, dat bewijs komt uit een iets andere context, en de kans dat dit meer impact maakt is groot. Je zegt tegen die monteurs niet dat ze de instructie vijf keer moeten lezen, maar je laat ze het aan elkaar navertellen of aan een junior doorleren. Zeer waarschijnlijk levert dat meer op. Dat is de claim, en die is eerlijk.
Zelfde bij spacing. Onderzoek laat zien dat gespreid leren de vergeetcurve van Ebbinghaus verslaat. Je opdrachtgever zegt: we hebben één middag. Je kunt boos worden, of je kunt denken: hoeveel spreiding bouw ik in binnen die beperking? Iets vooraf, iets tussendoor, iets achteraf, een reminder, korte opdrachten via de WhatsAppgroep, een AI-coach. Wat kan ik nog wel terwijl ik niet kan voldoen aan klinische labomstandigheden? Dat is evidence informed ontwerpen.
En als je écht in de buurt van bewijs wilt komen: train de ene winkel wel en de andere niet. Maar dan zou je vanuit de placebogedachte eigenlijk twee trainingen moeten geven. Eén waar je zoveel mogelijk evidence informed keuzes instopt, en één party zonder punt met zitzakken, lego en energizers. Allebei aandacht, en dan kijken wat het verschil is. Is er een organisatie die dat aandurft? Meld je.
Een appèl op onze beroepseer
Wetenschap is kansberekening. Geen garanties, maar waarschijnlijkheden. Dat voelt minder lekker en het is wel eerlijker. Daarom hoor je van een goede arts ook niet meer: je hebt nog zo lang. Wel: in het gunstigste geval zien we dit, in het ongunstigste geval dat.
Door overal evidence based op te plakken maken we de wetenschap juist kleiner. Wetenschap draait om twijfel, om replicatie, om voortschrijdend inzicht en nuance, niet om absolute waarheden. Het los gebruiken van dat stempel doet dus het tegenovergestelde van wat wetenschap is.
De vijand is niet het woord, maar het misbruik. Gebruik zoveel mogelijk wetenschap om aannemelijk te maken dat het zo meer kans heeft. En als je met een chatbot je oefeningen zit te ontwerpen: vraag hem altijd om drie onderzoeken die het tegenovergestelde beweren. Anders trap je in die zoetgevooisde stem die zegt dat je plan briljant is en dat je het gerust evidence based mag noemen.
Gebruikte bronnen
- Albert Mehrabian, twee laboratoriumstudies uit eind jaren zestig met 62 proefpersonen en negen losse woorden, en zijn eigen latere nuancering
- Kluger en DeNisi (1996), meta-analyse van ruim 600 effectgroottes uit zo'n 23.000 observaties over de effecten van feedback
- Hermann Ebbinghaus, vergeetcurve
- Onderzoek naar retrieval practice ten opzichte van herlezen





